Spruitjes! de groente en de telers

In Benthuizen en wijde omgeving wordt al sinds vele jaren spruitkool geteeld, een groente die tot de landbouwgewassen behoort. In dit artikel meer over de groente, maar vooral meer over de mensen die in de agrarische sector met deze teelt hun brood verdienen en/of hebben verdiend.

De groente
Volgens botanici zijn spruitkool en koolrabi de enige groente gewassen die afkomstig zijn uit Noord-Europa. Over de oorsprong is de literatuur niet eensluidend, er zijn auteurs die vermoeden dat een vorm van spruitkool rond 1500 al aanwezig was. Opmerkelijk is dat dit opvallende kooltype pas rond de 18e eeuw bij Brussel ontdekt werd (Brusselse spruitjes). Onderzoekers trokken de conclusie dat spruitkool ontstaan moet zijn uit een afwijkend savooiekooltype.
In 1587 wordt een koolsoort beschreven die – nadat de hoofdkool is verwijderd – in de bladoksels kleine kooltjes vormt. Die kool wordt dan de 'duizendhoofdige kool' genoemd, waarschijnlijk naar de vele kleine kool(spruit)jes aan de stengel.
Pas aan het eind van de 18e eeuw is de kool in België gecultiveerd tot de huidige moderne kool. Vanuit België verbreidde de teelt zich over Nederland en andere landen.

In de Middeleeuwen kwam groente nog niet op tafel. Fruit wel, vooral bij de gegoede stand. De graven van Holland bezaten in de 13e eeuw al een hof, waarvan een boomgaard een vast onderdeel vormde.
Er waren in en om Leiden, Delft en andere steden boomgaarden en warmoeshoven. Ook kleine tuintjes voor 'genoegen' zijn bekend, eigen gebruik zeggen wij nu.
In de 16e eeuw moet de groenteteelt toch al meer uitgebreid zijn geweest, want op 3 oktober 1574 (het ontzet van Leiden), kregen de Leidenaars hutspot te eten. Zoals bekend is 'Ajuyn' daar één van de bestanddelen van. Toen de situatie na het vertrek van de Spanjaarden verbeterde, nam de 'warmoeserij' toe en kwam er een uitgebreid assortiment groente aan de markt, zoals' cool, peen, wortelen, plucerwten- en bonen, knollen of rapen, radijzen, sla en komkommers'.
In de 19e eeuw constateren buitenlanders dat Nederlanders veel groente eten. Dat kwam wel voor bij de gegoede burgerij, maar voor de arbeidersbevolking waren de prijzen te hoog. Buitenlanders bezochten toen misschien alleen welgestelden?

De ontwikkeling gaat verder, er komen nieuwe soorten bij, waaronder onze spruitjes. Spruitkool, een vollegrondsteelt, is seizoens­gebonden en behoort tot de wintergroenten, hoewel; de oogst begint tegenwoordig al in augustus.
Jaren geleden werd er gegniffeld als men hoorde dat in Suriname spruitjes uit blik werden gegeten. Dat 'de vorst er eerst over moet' voordat de groente lekker smaakt, is ook bakerpraat. Er zijn inmiddels legio variaties mogelijk voor de bereiding. Internationaal een geliefde groente, dat blijkt uit de exportcijfers.

Groenteteelt of akkerbouw?
Wij spreken over 'grove tuinbouw' als het over spruitkool gaat, destijds een beschermde teelt waarvoor een tuinbouwvergunning nodig was. De vergunning was gebonden aan een bepaald aantal hectares grond. Een boerenbedrijf was daarvoor te groot en de vergunning werd verleend aan de 'deelbouwer' of teler.
Een tuinbouwvergunning voor het telen van een landbouwgewas. Dat spruitkool daartoe behoort, blijkt uit het volgende document:
"Provincie Zuid-Holland
Gemeente Benthuizen
Jaar 1919
Staat:
Verzameling van de opgave betreffende de uitgestrektheid met onderscheidene landbouwgewassen"

De totale beteelde oppervlakte van het bouw­ land bedraagt in dat jaar 684 ha., waarvan 2 ha. spruitkool op een areaal van 52 ha. bouwland van W.C. Diephout. Ook wordt de oppervlakte beteelde tuingrond genoemd, 26,75 ha., maar daarbij wordt geen spruitkool vermeld.
Een jaar daarvoor, in 1918 werd 1 ha. Spruitkool geteeld bij de Gebr. Noordam in de Hoogeveen.

In Het jaar rond in Agrarisch Benthuizen, geschreven door A.J.F. van der Hoeven, is een interview opgenomen met de bekende spruiten­plukker Comelis C. Bregman: winterwerkBregman, geboren in 1899 in Benthuizen, die zijn hele werkzame leven, vanaf zijn 12e jaar, 'in de spruiten heeft gezeten'. In een krantenartikel van 27 november 1915 staat een bericht over geveilde spruiten aan de Benthuizer veiling. Zouden die door hem geplukt zijn?

Vanaf de jaren vijftig in de vorige eeuw heeft de spruitenteelt een sterke vlucht genomen, onder andere door de mechanisatie. Boeren en deelbouwers konden met al hun vragen terecht bij de Landbouwvoorlichtingsdienst. Cor van Wieringen was gespecialiseerd in de teelt. Hij gaf cursussen en verzorgde de proefvelden.

De teler
In Benthuizen hebben altijd veel mensen in de agrarische sector gewerkt. Te onderscheiden in 'vaste boerenarbeider' en 'los werkman'. De laatste werd vaak spruitenplukker. Eén daarvan is Leen Snoep, geboren in 1919 die op zijn 13e jaar zijn vader ging helpen in de spruitenteelt.

Leen vertelt:
"Mijn vader was deelbouwer, hij had een vergunning voor 1.600 roe. Deelbouwen betekent een verdeling van kosten en opbrengsten tussen de boer en de 'zelfstandige' teler.
De boer levert het zaaiklaar gemaakte land, de deelbouwer doet de arbeid. Dat is een' gesloten beurzen' kwestie. De opbrengst en de kosten van zaaigoed, afvoer naar de veiling en andere posten waar derden voor ingeschakeld worden, worden afgerekend volgens een verdeelsleutel. Ik werkte meestal op basis van 50/50%, maar dat kan afhankelijk zijn van de afspraken die je maakt met de boer.
Die zelfstandigheid houdt wel in dat er geen vaste inkomsten zijn, pieken en dalen en soms een periode van geen inkomsten. Bij slechte prijzen of misoogsten is het teren op de vorige jaren of overbruggen tot een volgend jaar. Je moet de inkomsten van een paar jaar' door elkaar kunnen slaan'. Daar moet je gezin, met name de huisvrouw op ingesteld zijn en mee kunnen leven. En vergeet niet dat de 'blauwe brief', de belangstingaanslag, bij een zelfstandige altijd achteraf komt.

Ik begon dus al heel jong en droeg speciale werkkleding; vetleren schoenen met een kap over de veters, om je voeten te beschermen tegen afdruip end water. Die schoenen werden handgemaakt door Jan Vink (officieel Jan de Vink), de bekende plaatselijke schoenen- en tuigenmaker. 's Avonds werden die schoenen gedroogd bij de kachel, het invetten gebeurde met traan en kaarsvet, erg vette kaarsen werden daarvoor gebruikt. Het stonk vanjewelste. Het 'oliegoed', jas-kap-regenpijpen, was log en zwaar. Niet te vergelijken met de soepele materialen van de beschermende kleding tegen regen en vorst in deze tijd. De winters waren vroeger beslist strenger, meer sneeuwen vorst. Met handschoenen aan kon je niet plukken. Je handen werden wel warm door het werk (soms niet).
Traditioneel begon het seizoen medio oktober. Tot omstreeks februari gingen we dan, afhankelijk van de weersomstandigheden viermaal door de spruiten. Dan was het wel gedaan.

Na verloop van tijd werd ik zelf deelbouwer. Ik teelde aan de Zegwaartseweg bij Janse en bij Visser en in Benthorn bij Lievaart.
In april werd er gezaaid, meestal twee rassen, een vroege en een late soort. De planten waren goed in juni en dan moest er gepoot worden.
Dat was handwerk waarbij hulp nodig was. Jongens kregen daarvoor vrij van school en konden de planten aangeven. Als het nodig was, ging ik dan enkele weken later nog 'inboeten', als plantjes 'het niet deden'. Machinaal schoffelen deed de boer, met de schrepel erdoor gaan (hakken) was voor mij. Dan was er een periode van rust, waarin ik wel los werk aannam tot de pluktijd en dan kwam de spanning: 'wat doen de prijzen'.

Behalve plukken, sorteerde ik de spruiten ook. Schudden met een zeef met staaldraad boven een kruiwagen, waardoor de grove er uit kwamen en er twee soorten overbleven. Over maten werd nog niet gesproken. Daar moest ik pas rekening mee houden in de jaren vijftig, toen we met een machine gingen sorteren. We gingen over op A-B-C en D maten.
Als de prijzen slecht waren, zoals in de crisistijd (jaren dertig), gingen de grove wel naar de koeien. Behalve de grove spruiten, werden de stronken (spruitenkoppen) ook aan de koeien gevoerd op de gemengde bedrijven. Dat was weer werk voor de boer.
Onze spruiten gingen naar de veiling in Leiden, een enkele keer naar Barendrecht omdat de prijzen daar gunstiger waren. In Benthuizen waren twee spruitenrijders, De Vrij en Wim de Ruiter. Meestal koos de deelbouwer zijn rijder, maar soms had de boer een andere voorkeur. Zo kon het gebeuren dat het ene jaar De Vrij de klandizie kreeg en het andere jaar De Ruiter.

De crisistijd was uiteraard niet best. In de oorlog verdween de vrije markt en de veilingen werden slechts distributiecentra, de klok draaide niet meer. De prijzen werden vastgesteld door het Productschap. Er kwam een verplichting tot leveren, met name om de Duitse bezetters van eten te voorzien. De vraag naar eten was groot, de mensen wisten ons te vinden en wij hebben velen geholpen aan een maaltje groente.

Spruiten werden vaak afgekeurd omdat ze besmet waren met luis. De meeste last veroorzaakten twee parasieten, luis en koolvlieg. De eitjes werden gelegd in het lid van de plant en dat was moeilijk te bestrijden. Na de oorlog kwamen daarvoor middelen uit Amerika, waarmee de kwaal enigszins te verbeteren was. Ook die bestrijding heeft een hele ontwikkeling meegemaakt".

Leen Snoep ging met zijn broer en zijn vader (eerst deels) over van deelbouw naar telen voor eigen rekening en wel aan de Slootweg. De broers kochten vergunningen bij voor vier ha. Een deelbouwer die stopte, kon namelijk zijn vergunning overdragen aan een ander en dat bracht behoorlijk geld op toen de teelt nog beschermd was.
Nog later, de jaren '60, kwam er dijkland vrij in de Palesteinse polder, grasland om te scheuren. Dat werd gepacht, later gekocht. Het was grasland en daarom bij de taxatie gelijkgesteld met derde klasse tuingrond (bepalend voor de prijs). In zekere zin is dergelijke grond niet geschikt voor spruiten, maar kan daar geschikt voor gemaakt worden. Om knolvoet tegen te gaan werd eenmaal per drie jaren bekalking toegepast.

Leen was spruitenplukker – met de hand –, tot zijn 64e jaar. Een hernia noodzaakte hem toen te stoppen met dat zware werk Een gedeelte van het land werd verkocht, maar er bleef ongeveer ¾ ha. over om nog iets anders mee te doen. Dat werd sierteelt, boompjes. Maar ook daar kwam weer een eind aan. Op zijn 80e jaar was het welletjes. Spruiten telen was hem op het lijf geschreven, de sierteelt niet minder, maar daar kwam bij dat het niet meer 'zo nodig hoefde', en dat was een prettig gevoel.

Tenslotte nog een vraag over deelbouwer en boer; wie kiest wie?
"Dat hangt af van twee factoren. Goede (klei)grond, en een goede verstandhouding met de boer. Zowel het één als het ander, anders werkt het niet. Afspraken nakomen, dat is heel belangrijk"

Van een jongere generatie is Cent Laban, geboren in 1937 en wonend aan de Hoogeveenseweg. Hij werkte bij zijn vader en in de tijd dat op hun boerderij weinig werk was, ging hij als los werkman het spruitenland in bij een boer. Dat was op zijn 16e jaar en de spruiten werden nog met de hand geplukt. Enige jaren daarna werd hij deelbouwer bij Rensink aan de Heerewegh, die kon hem ook aan het werk houden in de maanden dat er geen werk was in de spruiten. De omstandigheden waren nog ongeveer gelijk aan die Leen Snoep heeft meegemaakt. De vernieuwingen, met name de mechanisatie maakte Cent op jongere leeftijd mee. Te beginnen met het sorteren, de zeef had al afgedaan, er werd al gewerkt met aardappel­ sorteerders die met enige aanpassingen geschikt gemaakt werden voor spruiten. Wij legden ook een smalspoor aan in het land. Het streven was om de spruiten naar ons te laten komen, inplaats van dat wij achter de spruiten aangingen.
Door andere gewassen en mechanisatie van de landbouw, was er minder personeel op een boerderij nodig en er volgde ontslag.

Cent vertelt hoe hij zijn toekomst ging opbouwen:
"Die deelbouw zag ik niet meer zo zitten, het was 1976 en rondom mij heen zag ik dat boeren zelf, zonder deelbouwer spruiten gingen telen. Dat kwam door de opkomst van de machines, behalve de al eerder genoemde sorteerders, waren er ook poot- en plukmachines in bedrijf. Wie ging die betalen, boer of deelbouwer en wie droeg de kosten van de daarbij behorende tractor.

Na veel wikken en wegen besloot ik de sprong te wagen en voor mezelf te beginnen. De teelt was toen nog aan een vergunning verbonden en om die te krijgen moest ik een tuinbouwdiploma halen. Dat betekende twee jaren avondschool in Berkel en Rodenrijs. Piet van der Eijk, mijn overbuurman ging ook naar die cursus. 's Morgens om vijf uur de koude polder in voor de hele dag, dan proberen 's avonds in een warm lokaal wakker te blijven, dat viel niet mee.
In die twee jaren heb ik veel geleerd over glastuinbouw en ook een avondje les gekregen in spruitenteelt. Aan de vijf jaren ervaring die voor de vergunning werd gevraagd kon ik ruim voldoen. Toen ik het diploma had, werd de teelt vrij gegeven!
Dat was dat, maar ik moest land huren en machines kopen. Om dat rond te krijgen heb ik een halfjaar nodig gehad. Maar het is gelukt.
Al heel snel ontwikkelde ik een sorteerlijn die ik zonder hulp kon bemannen. Ik ben er echt wel trots op dat mijn systeem de basis is geweest voor veel andere machines.
Cent Laban in zijn zelfrijdende plukmachineVan de kleine plukmachine achter op de tractor, stapte ik al gauw over op een grotere, een zelf­rijdende met een afdak. Die trend kon ik gelukkig voortzetten, steeds met de nieuwste machines werken. Het werk werd ook minder zwaar, je zit tegenwoordig redelijk beschut op de plukmachine.
Er kwamen andere rassen, Hybriden, die eenmalig met de machine worden geplukt. Mijn spruiten gingen naar de Utrechtse veiling, later naar De Kring in Bleiswijk. Het vervoer werd uitbesteed.
Toen ik eenmaal zelfstandig teler was, moest ik ook voor de afvoer van de spruitenstronken zorgen. Die werden verkocht als veevoer aan veehouders of handelaren. Het was goed koeienvoer, al stonk de melk wel een ietsje."

Je bent 5 jaren geleden gestopt, nog jong in vergelijking met je voorgangers.
"Inderdaad, maar ook daarin profiteren we van de nieuwe, en op dit gebied betere tijden. Ik werk nu nog wat in m'n buxusteelt en geniet, samen met mijn vrouw van allerlei dingen, waarvoor wij vroeger de tijd niet hadden."

Tijden veranderen, van een kleinschalige teelt kan bijna niet meer gesproken worden. Wat blijft is de fiere spruitenplant, die het winterse polder­landschap siert, in het bijzonder als er sneeuw ligt.

Inge van Eeden Petersman

Met dank aan: Leen Snoep en Cent Laban.

Info uit:
- Leidse Historische Reeks 7, De tuin van Holland 1992
- Hoeven, A.J.F. van der, Het jaar rond in Agrarisch Benthuizen 1990
- Bulletin Productschap Tuinbouw

Met toestemming van de Historische Kring Benthuizen overgenomen uit Benthuizer Turfjes, 13e jaargang, december 2003

De volgende foto's zijn een toevoeging aan dit artikel en zijn in 1980 gemaakt door H.W.J.G. Rolvink. Het laat de gebroeders Piet en Leen Snoep zien bij het sorteren van de spruitenoogst.

De gebroeders Piet en Leen Snoep sorteren de spruitenoogst De gebroeders Piet en Leen Snoep sorteren de spruitenoogst De gebroeders Piet en Leen Snoep sorteren de spruitenoogst De gebroeders Piet en Leen Snoep sorteren de spruitenoogst