Reformatorisch Dagblad - 22 mei 1998

Molenaar Snoep: Ons vak is niet meer rendabel, maar blijft prachtig

Verliefd op wentelwiek en draaiende steen

Tekst:  W.B. Kranendonk
Foto's: W.L. van Vossen
Met z'n korenmolen valt vandaag de dag geen droog brood meer te verdienen. Toch blijft Piet Snoep (79) uit 's-Gravenpolder verliefd op draaiende wieken en malende stenen. "Molenaar is een prachtig vak".

Zijn gang is bedaagd en zijn krachten zijn minder geworden. Desondanks werkt Snoep dagelijks op 'zijn' molen. Als het moet, beklimt hij nog de zes zolders van "De Korenhalm". De fraaie, rijzige bovenkruier aan de rand van het Zeeuwse 's-Gravenpolder verkeert in prima staat. Om dat zo te houden, laat Snoep de wieken zoveel mogelijk draaien. "Anders nestelen vogels zich in de kap en wordt de molen onbruikbaar".

Piet Snoep, Molenaar. ...tillen zonder mopperen...

Snoep bracht bijna zeventig jaar van zijn leven op "De Korenhalm" door. Vader Willem kocht de molen op 16 februari 1929. Van hem leerde Piet het vak. "Zodra ik 's middags uit school kwam, moest ik eraan geloven. Meel of veevoer afwegen, in zakjes doen en op een oud fietsje bij de klanten brengen. Spelen met kameraadjes was er niet bij. Vader rekende op me".

Het molenaarsvak en de familie Snoep horen bij elkaar. Grootvader was eigenaar van de molen "Nooit Gedacht" ten westen van Colijnsplaat. Zijn vijf zonen kwamen elk op een molen terecht. Nog steeds blijkt het geslacht de typisch Hollandse wentelwieken niet los te kunnen laten. Onlangs betrok een neef de fraai gerestaureerde molen van Nieuwvliet in Zeeuws-Vlaanderen.

Ook de dochter van Piet kon het geluid van knerpende molenstenen niet vergeten. Toen haar ouders enkele jaren geleden de molen verlieten, keerde zij met haar man terug naar de geboortegrond, om straks de directe zorg voor "De Korenhalm" op zich te nemen. Beiden volgen nu een driejarige cursus voor het molenaarsvak.


Stenen scherpen

"Nee, een opleidingsschool voor molenaar bestond in mijn jeugd niet. Ik leerde de kneepjes van het vak in de praktijk. Het begon met het afwegen van zakjes en het wegbrengen van bestellingen. Toen ik zo'n veertien jaar was, stuurde vader me op pad met paard en wagen. De dorpsveldwachter kneep een oogje toe, want eigenlijk mocht dat niet. Later leerde ik de maalstenen scherpen".

De vier grote molenstenen van "De Korenhalm" moesten bijna iedere maand worden bijgewerkt. Vader Willem was daar bijzonder bedreven in. Toen hij nog als knecht in dienst was bij de graanmaalderij van Duvekot in Goes, kreeg hij regelmatig de opdracht om bij de molenaar van Schore de stenen te gaan scherpen. Met een zogenaamde bilhamer (scherphamer) werkte hij de maalgroeven bij.

"Ten zuiden van de Schelde was het scherpen van de stenen echt een vak apart. Tot 1930 was het gebruik dat rondreizende werklieden de onderhoudsklus deden. Deze mannen leidden een zwerversbestaan. Zij kregen kost en logies bij de molenaars. Meestal bleven ze niet langer dan drie dagen. Omdat bij het scherpen van de stenen vaak stukjes molensteen rondspatten, hadden ze meestal bloeduitstortingen aan hun handen. Die zaten daardoor vol donkere vlekken".

Behalve het onderhoud van de molenstenen leerde Piet het houten raderwerk verzorgen. "De kammen van het houten bovenwiel smeerden we geregeld met bijenwas in. Daardoor bleef het soepel lopen".

Overigens hoorde de bejaarde molenaar in zijn jeugd "De Korenhalm" regelmatig knarsen en kraken. De oorzaak was niet het slechte onderhoud van de molen, maar de rij hoge bomen die aan de dijk stond. Zij vingen de wind waarvan de molen zo graag gebruikmaakt. "Omdat de molen niet vrijstond, ging hij wringen. Bij het draaien hoorde je hem dan knarsen". In de jaren dertig kocht vader Willem daarom een groot deel van de doodlopende Molendijk en hakte alle bomen om, waardoor de korenmolen geheel vrij kwam te staan.

"Groot onderhoud deden we niet zelf. Voor de oorlog ging mijn vader iedere dinsdag naar de markt in Goes. Steevast was daar de molenmaker, die zijn afspraken met de verschillende molenaars maakte. Later in de week kwam hij langs. Dat vak van molenmaker is er niet meer", stelt Snoep met enige weemoed vast.


Niet rijk

"Je moet reëel zijn. Met het molenaarswerk is vandaag de dag geen brood meer te verdienen. Vroeger wel. We waren niet rijk, maar we hadden het goed. Voor de oorlog woonden hier in 's-Gravenpolder zo'n 1200 mensen. Ieder gezin had kippen en vaak nog enkele andere beesten. De molenaar leverde daarvoor het veevoer. Bovendien betrok de bakker het meel van je. Daar had je een beste boterham aan".

Vooral de oorlogsjaren zijn in financieel opzicht voor het molenaarsgezin "goed" geweest. "Nee niet omdat mijn vader bij de zwarte handel betrokken was. Dat niet. Maar de mensen hadden je nodig. Iedereen verbouwde wel wat graan om te zorgen dat er brood op de plank bleef. Dat moest gemalen worden. We draaiden in die tijd zelfs wel 's nachts. Met een klein lampje in de grote molen deden we het werk. De Duitsers lieten dat oogluikend toe".

Piet zelf was tijdens de bezetting twee jaar knecht bij oom Ko op molen "De Korenbloem" in Kortgene. "Het molenaarsbedrijf is typisch werk voor twee man - een op de molen, een op pad". Eenmaal zelf baas op de molen in 's-Gravenpolder, had Snoep ook een knecht. Daarnaast was zijn vrouw volledig bij het bedrijf betrokken. "Als je op de vierde of vijfde zolder bent en er komt iemand om twee kilo kippenvoer, is het heel lastig om helemaal naar beneden te moeten. De vrouw hielp daarom de klanten die aan de deur kwamen".

Snoep noemt zijn vroegere beroep "een prachtig vak", maar wil van romantiek niets weten. Daarbij wijst hij niet zozeer op het stof dat de molenaarspet vaak bedekte, maar meer op het zware sjouwwerk. De stevige schouders van Snoep verraden dat hij in het verleden veel op zijn nek nam. "Balen van vijftig of soms wel vijfenzeventig kilo tilden we zonder mopperen. Dat zou vandaag de dag van de Arbeidsinspectie niet meer mogen".

De afhankelijkheid van het weer was voor de molenaar van 's-Gravenpolder minder van belang. "Als er geen wind was, draaiden we op de elektrische motor". Dat neemt niet weg, dat hij geleerd heeft regelmatig naar de lucht te kijken om weersveranderingen tijdig te kunnen waarnemen. "Dat hoort bij je vak. Zoveel mogelijk maakten we natuurlijk gebruik van de wind. Dat kost niets, elektrische stroom wel. Je moest zorgen dat de wieken op tijd in de goede stand werden gezet. Vooral een zuidoostenwind is heel verraderlijk. Die kan zomaar naar het noordwesten draaien. Daarom stonden we ook vaak op de omloop om te kijken hoe de kap stond van de molens enkele dorpen verderop".

Snoep roemt de weerkunde van zijn vader. "Die was daar een kei in". Slechts na enig aandringen geeft hij toe er zelf ook "iets van te kunnen. Ik zit er niet vaker naast dan De Bilt". Zijn vrouw vraagt hem in ieder geval nog altijd of ze de was buiten kan hangen. "Slechts een enkele keer wordt die niet droger maar natter", lacht ze.


Molen "De Korenhalm" te 's-Gravenpolder
 is sinds 1929 het domein van de familie Snoep

Omslag

De molenaar in ruste zegt nooit te hebben overwogen het molenaarswerk op te geven. Ook niet toen de opbrengsten minder werden. Integendeel, terwijl de inkomsten daalden, nam Piet in 1960 de molen van zijn moeder over.

"De omslag kwam na de Tweede Wereldoorlog. De coöperaties hebben de klanten bij ons weggezogen. Zij leverden het veevoer in bulk. Daar maakten de boeren graag gebruik van, temeer omdat zij hun veestapel uitbreidden. Het was handiger om één keer de vrachtauto van de coöperatie te laten komen dan steeds een paar zakken bij de molenaar te bestellen. Een vergelijkbare ontwikkeling zag je bij de bakkers. Die gingen bloem ook in bulk inslaan. Tegen dat geweld konden wij niet opboksen".

Om enigszins tegemoet te komen aan het streven naar efficiency, verwisselde Snoep in 1957 paard en wagen voor een eigen vrachtauto. "Voor zes gulden en een kwartje per lesuur haalde ik mijn rijbewijs". Eenmaal in het bezit van het roze document, ontpopte hij zich als rij-instructeur. "Als ik 's avonds ergens een vracht moest halen of brengen, waren er altijd wel jongens die mee wilden rijden. Zij hielpen mij met laden. Daar stond tegenover dat ze van mij achter het stuur mochten, om zo te leren autorijden. De politieagent van het dorp waarschuwde af en toe goedmoedig. "Snoep, je past wel op", zei hij dan. Verschillende jongens hebben zo het omgaan met een vrachtauto geleerd; uit één gezin wel vijf".


Kogelgaten

Snoep en zijn vrouw wonen inmiddels in een huis in het dorp zelf. Zijn dochter en haar man hebben een nieuwe woning naast de molen laten bouwen. Omdat op het terrein slechts één bedrijfswoning mag staan, is het oorspronkelijke molenaarshuis afgebroken. "Ik hoop dat zij straks de zorg voor de molen op zich kan nemen", zegt de oude molenaar. Daarbij kan zij -evenals haar vader- rekenen op de steun van de Stichting Behoud Borsselse Molen. Mede door de inzet van deze organisatie is "De Korenhalm" gerestaureerd. "Daarbij zijn de vele kogelgaten uit de oorlog weggewerkt", vertelt Snoep. "Toen de geallieerden in 1944 kwamen, heeft de molen zwaar onder vuur gelegen. Vooraf had een Duitse soldaat tegen me gezegd: "Als de Tommy komt, gaat de molen kapoet". Daar heeft hij niet helemaal gelijk in gekregen. De molen bleef overeind, maar de kogelgaten waren talloos".

Nu het einde van de 20e eeuw nadert, laten we deze weken in de serie "Dingen die voorbijgaan" ouderen over de uitoefening van hun beroep aan het woord. Volgende week deel 12: kruideniersvrouw W. Klerk-Damsteegt.

 

© Reformatorisch Dagblad, alle rechten voorbehouden